Contact  |

2026 - Waar moeten residentiële voorzieningen, G.I. of het Vlaams detentiecentrum rekening mee houden bij de regeling/beperking van het recht op het dragen van eigen kledij in het Huishoudelijk reglement? 

Het DRM geeft residentiële jeugdhulpverlening, gemeenschapsinstellingen en het Vlaams detentiecentrum de opdracht erover te waken dat- en desgevallend te voorzien in kledij en schoenen die aangepast zijn aan sociale- en weersomstandigheden. 

Daarnaast laat het DRM ook de ruimte om beperkingen op te leggen inzake het dragen van eigen kledij, voor specifieke activiteiten en situaties. Dit via het huishoudelijk reglement. Belangrijk om hierbij op te merken, is dat het gaat om specifieke activiteiten en situaties – niet om veralgemeende beperkingen.
Bijgevolg kan een structureel, veralgemeend verbod om in de leefgroep de eigen schoenen te dragen (bv. gemotiveerd als ingreep om weglopen te voorkomen of om onveiligheid te vermijden in geval van gedwongen afzondering) dus niet volgens het DRM. Zo’n veralgemeende regel verhindert overigens ook het recht op jeugdhulp op maat, zoals vermeld in artikel 6 van het decreet Integrale Jeugdhulp. Bovendien kan zo'n veralgemeende beperkende regel gelezen worden als een impliciete boodschap van wantrouwen (voor weglopen) of gevaar (voor/bij afzondering) die de bejegening en relatie met de jongere al inkleurt, wat druk zet op het recht op een ontwikkelingsgericht leefklimaat waarin de relatie essentieel wordt geacht (art. 19/1 DRM).
 
Het DRM geeft met de specificering over het “aangepast zijn aan sociale- en weersomstandigheden” een beperkte betekenis aan kledij: enkel een sociaal en een praktisch aspect worden op die manier uitdrukkelijk belicht. We kunnen hierin een concretisering lezen van het recht van kinderen om een passende levensstandaard te genieten (artikel 27 van het kinderrechtenverdrag). 
Kledij kan echter meer betekenissen krijgen dan als iets functioneel of sociaal (on)aangepast. Zo kan kledij ook betekenis krijgen als een onderdeel van de persoonlijke identiteit of levenssfeer. De eerder afgebakende insteek van artikel 12/9 krijgt een bredere betekenis als ze gelezen wordt als concretisering van het meer algemene recht op respect voor de persoonlijke levenssfeer  (DRM: afdeling 5: recht op respect voor het privé- en familieleven). Recht op eigen kledij krijgt dan ook de betekenis van recht op respect voor kledij als mogelijke uitdrukkingsvorm van de politieke, filosofische, ideologische of religieuze overtuiging, identiteit, genderidentiteit en seksuele geaardheid van de jongere (art. 12/6 DRM), of als een concretisering van het recht op een eigen identiteit (art. 8 van het kinderrechtenverdrag).
 
De mogelijke betekenissen van eigen kledij zijn uiteraard nog ruimer (denk aan kledij als een zelf vormgegeven afgrenzing van anderen, van emotionele of fysieke beveiliging, van bescherming van de eigen integriteit) en dus niet beperkt tot functionaliteit, sociale aangepastheid of identiteit. De betekenis van kledij voor een individuele jongere is niet te bepalen zonder de inbreng van die jongere zelf. Daarom is het zinvol om art. 12/9 niet los te koppelen van bv. de artikelen die bepalen dat jongeren inspraak moeten krijgen in hun eigen traject (art. 16-19).
Inspraak en participatie Privacy Respect voor het gezinsleven - recht op contact