Contact  |

De papa van een minderjarige jongen van 9 jaar wil zijn moeder (de paternele grootmoeder) aanstellen als vertrouwenspersoon van zijn zoon in kader van een door de familierechter opgelegde begeleiding door de bezoekruimte omwille van een complexe scheiding. Hij stelt dat zijn 9-jarige zoon hiertoe zelf niet in staat is omwille van zijn jonge leeftijd maar dat de jongen wel nood heeft aan ondersteuning.
Moeten wij hierop in gaan?

In artikel 24 van het DRM wordt het recht op bijstand van de minderjarige verwoord. Dit artikel bepaalt dat elke minderjarige, ook een onbekwame, het recht heeft om zich in alle contacten met de jeugdhulpaanbieders, de intersectorale toegangspoort (ITP) en het ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ), én in de uitoefening van zijn rechten opgesomd in het DRM, te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. Als een minderjarige dus in staat is om aan te geven dat hij enerzijds een vertrouwenspersoon wilt en anderzijds wie hij als vertrouwenspersoon wil aanduiden, zal de minderjarige dit recht zelf kunnen uitoefenen.

Wanneer een minderjarige de vertrouwenspersoon niet zelf kan aanwijzen, zijn het in principe de ouders die deze verantwoordelijkheid overnemen.
Soms bestaan er echter een belangenconflicten tussen de minderjarige en zijn ouders, of oefent niemand het ouderlijk gezag over de minderjarige uit. In dergelijke omstandigheden kan de vertrouwenspersoon worden aangeduid door de directeur van een jeugdhulpvoorziening (of door zijn gemandateerde) of door het personeelslid van de toegangspoort. 

 

Wellicht kan de 9-jarige jongen in deze casus zelf aangeven of hij een vertrouwenspersoon wilt en wie dan wel. Dit kan afgetoetst worden door de betrokken jeugdhulpverleners in een individueel gesprek met de jongen.



Het is uiteraard belangrijk dat jeugdhulpverleners minderjarigen van bij de opstart van de jeugdhulp regelmatig actief informeren over hun recht op bijstand van een vertrouwenspersoon.



Enkel wanneer de jongen niet in staat zou zijn om zelf een vertrouwenspersoon aan te duiden, kunnen zijn ouders dit eventueel in zijn plaats. Maar ook zij moeten hierbij rekening houden met de voorwaarden dit gesteld worden aan een vertrouwenspersoon:
1. Meerderjarig zijn, én
2. niet rechtstreeks betrokken zijn bij de jeugdhulpverlening aan de minderjarige, én
3. op ondubbelzinnige wijze door de minderjarige aangewezen zijn, én
4. beschikken over een uittreksel uit het strafregister dat een model 2 omvat (beter bekend als een bewijs van goed gedrag en zeden, model 2).

Nu de jeugdhulp verleend wordt in kader van een begeleiding in kader van een complexe scheiding, kan de vraag gesteld worden of de paternele grootmoeder niet rechtstreeks betrokken is bij de jeugdhulpverlening? Dit zal in de praktijk moeten bekeken worden door de betrokken hulpverleners. Wanneer zij van mening zijn dat de paternele grootmoeder rechtstreeks betrokken is bij de jeugdhulp, zullen de ouders een andere persoon moeten aanduiden als vertrouwenspersoon voor hun zoon.
 

Ten slotte mag er natuurlijk ook geen sprake zijn van een belangenconflict tussen ouders en kind om hen de vertrouwenspersoon van hun kind te laten aanduiden. Ook op dat vlak kunnen misschien twijfels rijzen nu een vertrouwenspersoon aangesteld wordt in kader van de begeleiding door een bezoekruimte n.a.v. een hoog-conflictueuze scheiding.  Wanneer de betrokken jeugdhulpverleners menen dat er sprake is van een belangenconflict, kan de directeur van de bezoekruimte (of zijn afgevaardigde) een vertrouwenspersoon aanduiden voor de minderjarige.


 

Bekwaamheid Belang Bijstand / Vertrouwenspersoon Rechten van ouders