Contact  |

Grabbelbox participatie

De werkgroep participatie van het IROJ West-Vlaanderen ontwikkelde een ‘grabbelbox participatie’. Deze bestaat uit 70 kaarten met vragen over de negen kenmerken van een participatieve basishouding. De vragen doen je stilstaan bij je eigen handelen, je eigen houding en visie als hulpverlener en laten je daarover reflecteren. In de handleiding bij de grabbelbox vind je voor wie de grabbelbox bedoeld is en hoe je die kunt gebruiken.

Dit zijn de negen kenmerken: authenticiteit, gelijkwaardigheid, betrouwbaarheid, onvoorwaardelijkheid, positieve ingesteldheid, openheid, empathie, professionele nabijheid, respect.

Gebruik je de grabbelbox in je organisatie? Deel je ervaring of suggesties met de werkgroep participatie via grabbelbox@opgroeien.be .

cartoon van een man die een spiegel vasthoudt, als beeld van 'zelfreflectie'

Authenticiteit

De hulpverlener is (opr)echt en is niet bang om in relatie tot de cliënt z’n persoonlijkheid te tonen. Tegelijk heeft hij aandacht voor de impact die het eigen gedrag en voorkomen op de cliënt kunnen hebben.

Authenticiteit: Hulpverlener en vrouw in gesprek. De vrouw zegt: "Begrijp je eigenlijk wat ik bedoel?". De hulpverlener antwoord: "Ik word betaald om u te begrijpen, mevrouw...".
  1. Welk moeilijk moment had je onlangs in het bijzijn van je cliënt? (Hoe) heb je dit getoond of verborgen?
  2. Hoe bewaak jij het evenwicht tussen rede en emotie in je handelen? Wat is voor jou het belang hiervan? Op welke manier biedt de organisatie daarin ondersteuning?
  3. Geef een voorbeeld van hoe je omgaat met onmacht, kwaadheid en frustratie in een situatie? Wat is de trigger hiervoor? Bespreek je dit met je cliënt? Hoe verwoord je dit?
  4. Wat doe je wanneer iemand in de omgeving aandringt om in te grijpen?
  5. Wat zijn jouw ‘trucjes’ om je privéleven van je werk te scheiden? Maak je hier in een verschil tussen collega’s en cliënten?

Gelijkwaardigheid

De hulpverlener is bereid om de cliënt in dialoog en volwaardig partnerschap te betrekken.

  1. Hoe moeilijk is het voor jou om je op gelijke hoogte te stellen van je cliënt? Heb je daar tips en trics voor?
  2. Gebruik je soms je ‘macht’ (bijvoorbeeld gezagsargumenten of protocollaire/procedurele argumenten)? Is dat te verantwoorden? Hoe voel je je daarbij?
  3. In welke situatie heeft de cliënt volgens jou nood aan iemand die rationeel handelt? In welke situatie heeft de cliënt nood aan iemand die emotioneel handelt?
  4. Hoe zoek en bereik je een evenwicht tussen eigen regie en de regie van de cliënt? Krijg je daarin ondersteuning vanuit je organisatie?
  5. Hoe verantwoord je je tegenover de cliënt wanneer je de regie toch zelf in handen neemt? En welke richtlijnen zijn er vanuit de organisatie om meer of minder regie op te nemen?
  6. Je gaat op huisbezoek in een gezin en wenst de man te spreken. De vrouw is echter de hele tijd aan het woord. Hoe ga je daarmee om?
  7. Hoe vertrek je vanuit de noden en wensen die de cliënt voorstelt? Wanneer kan je geen begrip opbrengen voor wat de cliënt zegt of doet? Hoe ga je daar mee om?
  8. Hoe bewaar je jouw meerzijdige partijdigheid (tussen cliënten en tussen cliënt en organisatie)? Wanneer staat die onder druk?
  9. Hoe bepaal je of de cliënt iets al dan niet zelfstandig kan? Hoe pak je dat aan? Hoe ga je om met het evenwicht: wanneer ingrijpen en wanneer niet?  Wat zorgt ervoor dat je overneemt?
  10. Hoe ga je om met derden uit de omgeving die de regie opnemen?
  11. Geef je de regie meer uit handen op huisbezoek in vergelijking met op kantoor?
Gelijkwaardigheid: Een hulpverlener zit tegenover een 'stoere' cliënt en zegt: "Ooh, voor de eerste keer zonder mama naar hier gekomen??? Dat verdient een lollie!!! Dankjewel?"

Betrouwbaarheid

De hulpverlener is discreet in functie van de privacy van de cliënt.

Betrouwbaarheid: de poetsvrouw spreekt een jongere, cliënt aan: "Nee, je hulpverlener is er vandaag niet. Maar zeg maar hoor, ik ben volledig op de hoogte van jouw situatie."
  1. Hoe werk je aan een vertrouwelijke relatie met je cliënt? Hoe kan je cliënt je betrouwbaarheid opmerken?
  2. Hoe kun je omgaan met een omgeving die verwacht dat je meer van jezelf onthult, alvorens ze je toelaat?
  3. Wanneer en hoe ‘voel’ je of je het vertrouwen schendt/geschonden hebt? Wanneer voel je je ook verplicht om het vertrouwen op te heffen? Hoe bespreek je dat met jouw cliënt?
  4. Op welke plaatsen en onder welke omstandigheden ‘bespreek jij cliënten’? Is hierbij de goede samenwerking met een collega-hulpverlener of de privacy van je cliënt belangrijker?
  5. Hoe ga je om met papieren die vertrouwelijke informatie over cliënten bevatten?
  6. Hanteer je het beroepsgeheim als een kompas in je begeleidingen? Wanneer maak je hier uitzonderingen op?

Onvoorwaardelijkheid

De hulpverlener staat onvoorwaardelijk achter de cliënt.

  1. Zijn er situaties waar je noodgedwongen afstand neemt van een cliënt? Bespreek je dit met de cliënt?
  2. Als je streeft naar een onvoorwaardelijke behandeling, op welk niveau zie je dan uitdagingen en wat vang je er mee aan?
  3. Ga je bewust om met het opleggen van  voorwaarden aan je cliënt (bijvoorbeeld om op huisbezoek te gaan)? Welke criteria gebruik je daarvoor?
  4. Hoe reageer je in moeilijke situaties? Wat doe je wanneer er bijvoorbeeld kinderen bij betrokken zijn, bij suïcidedreiging, kindermishandeling. Reageer je verschillend indien je op huisbezoek bent …?
  5. Er zijn cliënten die graag hebben dat de hulpverlener naar hen luistert. Cliënten ervaren dat als een goed gesprek omdat ze eigenaar blijven van hun verhaal. Stel dat je al een aantal gesprekken hebt gehad, maar dat je het gevoel hebt dat je blijft steken en je cliënt niet aan de slag gaat om zaken te veranderen. Hoe zou je dit ervaren? Hoe ga je daar mee om?
  6. Wat doe je wanneer je weggestuurd wordt door iemand uit de omgeving van je cliënt?
  7. Je bent op huisbezoek bij een puber. Hij zit op zijn kamer naar luide muziek te luisteren en weigert naar beneden te komen. Hoe ga je daarmee om?
  8. Wat doe je als welzijnswerker wanneer je problemen vermoedt bij cliënten? Wat doe je als je problemen detecteert? Wat doe je als anderen je geduid hebben op een probleem?
  9. Hoe ga je om met cliënten die pertinent een huisbezoek weigeren?
  10. Welke positie op het spanningsveld ‘afstand versus nabijheid’ neem je in ten aanzien van de omgeving van de cliënt? Welke grenzen stel je aan die omgeving?
  11. Ben je iemand die vasthoudt aan de doelstellingen en richtlijnen (hoe vaak, hoe lang je naar een cliënt mag gaan) van een  hulpverlening(splan) of kan je dit loslaten?
  12. Je stelt zaken vast die indruisen tegen jouw waarden/normen. Bespreek je dit met je cliënt? Hoe begin je hieraan?
Onvoorwaardelijkheid: De hulpverlener zit achterovergeleund op zjin stoel, handen achter het hoofd en zegt: "Wees maar zeker dat ik me voltijds met jouw geval bezighoud, Siska..." De cliënte antwoordt: "'t Is Bianca!!!", waarop de hulpverlener repliceert: "whatever...".

Positieve ingesteldheid

De hulpverlener brengt naast problemen ook krachten en mogelijkheden in kaart.

Positieve ingesteldheid: De hulpverlener, met blauw oog en nog sterretjes ziend, zegt tegen een kwade cliënte: "Okee, je bént misschien wat opvliegend, maar je hebt een GEWELDIGE rechtse!", "WAW!"
  1. Op welke manier ga jij op zoek naar talenten en kwaliteiten bij je cliënt? Benoem je die?
  2. Hoe neem je een cliënt mee in het verhaal dat hulpverlening voor hem een meerwaarde kan betekenen?
  3. Ben je onlangs bedot geweest door je cliënt? Kon je hierachter betekenis zoeken en hoe ging je daarmee om?
  4. Ben je bewust bezig met je taalgebruik in je begeleiding? En in je registratie? Waar let je op?
  5. Gebruik je humor in je hulpverlening ten aanzien van je cliënt? En in je team?
  6. Kies je soms om het behandelplan los te laten en te gaan ‘for something completely different’? Wanneer kies je hiervoor? En hoe vaak?

Openheid

De hulpverlener accepteert de cliënt in zijn eigenheid, met zijn overtuigingen, normen en waarden. Hij handelt vanuit een open kijk naar andere personen en situaties.

  1. Welke zaken vind je het moeilijkst om te bespreken met je cliënt? Zijn er zaken die je nooit bespreekt met je cliënt en waarom?
  2. Welke zaken die je op huisbezoek ziet, vind je makkelijk/moeilijk of zelfs niet bespreekbaar? Maak je gebruik van de omgeving om dingen bespreekbaar te maken? Hoe doe je dit?
  3. Verwacht jouw organisatie/opdrachtgever dat je expliciet op bepaalde zaken let tijdens een huisbezoek? Doe je dat dan ook?
  4. Welke situaties ga je uit de weg? Zijn er problematieken die je moeilijk kunt bespreken of loslaten?
  5. In welke mate praat je met de cliënt over de emoties die jij ervaart door zijn gedrag?
  6. Hoe beïnvloedt jouw taak/opdracht en de aanwezigheid van derden jouw blik tijdens het huisbezoek?
  7. Zijn er soms zaken over jouw cliënt die je niet in het team bespreekt? Wat vind je een goede reden om iets achter te houden? Koppel je soms teambesprekingen over een cliënt terug naar die cliënt?
  8. Ga je soms de confrontatie aan met je cliënt?
Openheid: De hulpverlener kijkt bang en met zweet op het voorhoofd naar de 'stoere' cliënt en zegt: "Ik ben het eens met alles wat je zegt!!!", de cliënt, met hanekam en tatoeages, antwoordt "Ik zie nog niks...", waarop de hulpverlener angstig zegt: "Ah?".

Empathie

De hulpverlener beschikt over inlevingsvermogen. Hij heeft een luisterend oor en toont begrip als de cliënt iets vertelt.

Empathie: Hulpverlener zit tegenover cliënt, luidop lachend, en tussen tranen door zegt hij: "Ik weet het wel, het is heel triesig wat je overkomen is, maar je zei het zo grappig..."
  1. Wat heb je onlangs nog geleerd van een cliënt?
  2. Tijdens een huisbezoek is de geur in het huis niet te harden. Welk effect heeft dat op jou? Zeg je daar iets van?
  3. Hoe emotioneel, fysiek (bv. een knuffel?) betrokken mag je geraken op de cliënt en wat doe je als je te betrokken geraakt? Of niet betrokken genoeg?
  4. Hoe reageren cliënten wanneer je eerder een proactieve/controlerende blik dan wel een afwachtende/open blik hanteert? Hoe reageren cliënten op je lichaamshouding?

Professionele nabijheid

De hulpverlener vertoont een duidelijk, betrokken engagement ten aanzien van de cliënt. In functie van de groei van de cliënt kan hij tegelijk dichtbij en veraf in de relatie staan.

Professionele nabijheid: De hulpverlener zegt tegen aantrekkelijke dame: "Vertel het maar... niet zo gespannen... Een kleine massage om te relaxen?", de dame antwoordt: "Jamaar, 't is voor mijn zoon!!!"
  1. Wat betekent voor jou ‘buiten de lijntjes kleuren’? Doe je dat soms bij de cliënten?
  2. Wat doe je wanneer je eenzaamheid vermoedt bij je cliënt? Welke ruimte krijg je hiervoor van de organisatie?
  3. Je cliënt barst in tranen uit wanneer je het hulpverleningsproces wilt afsluiten. Wanneer je doorvraagt, zegt hij wel geholpen te zijn, maar dat hij je gewoon zal missen. Hoe ga je daarmee om?
  4. Heb je onlangs een ‘dossier’, een ‘casus’ meegenomen naar huis/bed (figuurlijk)? Waarom? Hoe ging je daar mee om?
  5. Als je je stijl bekijkt, handel je dan eerder aanklampend, laat je snel los of zoek je naar een evenwicht? Hoeveel ruimte geeft de organisatie jou daarin?
  6. Welke gevoelens en gedachten komen bij je op wanneer je zaken uit handen geeft of wanneer je net zaken in handen houdt?
  7. Hoe vul jij de termen ‘efficiënt’ en ‘effectief’ in?
  8. Hoe kun je gebruikmaken van de omgeving om meer rede in te brengen en emoties te kaderen.
  9. Wanneer vind je het belangrijk om te sturen? Zijn er specifieke thema’s waarbij je meer sturend bent?
  10. Wat verwacht je van je organisatie aan visievorming over afstand-nabijheid binnen de context van huisbezoek?  
  11. Ben je je ervan bewust dat je misschien verbale/fysieke agressie uitlokt bij cliënten? Hoe reageer je daarop? Hoe ga je in herstel na zo een conflict?
  12. Hoe handel je in de volgende situaties:
    1. Je cliënt vraagt je om bloemen te kopen voor het graf van haar overleden man.
    2. Je komt een cliënt tegen op de avondmarkt en hij wil je trakteren op een pint.
    3. Een cliënt vraagt om je vriend te worden op Facebook.
    4. Een cliënt geeft je een geschenkje als bedanking.

Respect

De hulpverlener heeft respect voor het tempo van de cliënt.

Respect: een hulpverlener zit tegenover een jongere, en telt luidop: "10, 9, 8, 7, 6, ..." en zegt "... waar het eigenlijk op neerkomt is dat ... Time is money, baby...", de jongere probeert verbouwereerd tussen te komen en zegt: "Maar..."
  1. Wat betekent voor jou ‘het tempo van de cliënt volgen’?
  2. Zijn er afspraken binnen jouw werking/dienst die het respect voor cliënten fnuiken of tenietdoen?
  3. Wanneer overtrad je grenzen van je cliënten, je collega’s en je dienst?
  4. Wanneer overtrad je je eigen grenzen? Welke grenzen stelt de omgeving aan jouw relatie met de cliënt?
  5. Hoe ervaart je cliënt dat je hem respecteert?
  6. Hoe zorg jij ervoor dat cliënten tot hun recht komen? En hun rechten krijgen?